De verkiezingen 2014 in Brussel

2014-18, 100 jaar Groote Oorlog.
bruselo.info belicht Brussel vanuit een aparte hoek, montre Bruxelles sur un angle nouveau, beleuchtet Brüssel aus einem besonderen Winckel, throws light on Brussels from unusual angles.

Welcome - Bienvenue - Wilkommen
De Brusselwet

De bijzondere wet met betrekking tot de Brusselse Instellingen werd op 12 januari 1989 gestemd in het federaal parlement en verscheen op 14 januari 1989 in het Belgisch Staatsblad. De wet regelt de staatshervorming met betrekking tot het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de uitoefening van de gemeenschapsbevoegdheden binnen dat grondgebied.

Aan de oorspronkelijke tekst  werden al verschillende wijzigingen aangebracht die terug te vinden zijn in het Belgisch Staatsblad.

De datum van de start van het parlementaire jaar werd gewijzigd op 4 juni 2015 met de stemming van de ordonnantie ertoe strekkende de jaarlijkse openingsvergadering van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement te vervroegen. Die ordonnantie is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 juni 2015 en inwerking getreden op dezelfde dag.

Ordonnantie ertoe strekkende de jaarlijkse openingsvergadering van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement te vervroegen

Art.1.  Deze bijzondere ordonnantie regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 118, § 2, van de Grondwet.

Art.2.  In artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen worden de woorden "de derde woensdag van oktober" vervangen door de woorden "de derde maandag van september".

Bijzondere wet met betrekking tot de Brusselse Instellingen

BOEK I.- BEPALINGEN TER UITVOERING VAN DE ARTIKELEN 3, 39 EN 135BIS VAN DE GRONDWET

EERSTE TITEL.- VOORAFGAANDE BEPALINGEN.

Art.1.Voor het Brusselse Gewest, bedoeld bij artikel39 van de Grondwet, hierna genoemd het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, is er een Brussels Hoofdstedelijk Parlement en een Brusselse Hoofdstedelijke Regering, hierna genoemd het Parlement en de Regering.


Art.  2. § 1. Het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt gevormd door het grondgebied van het administratief arrondissement "Brussel-Hoofdstad" zoals het bestaat op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet.
§ 2. In artikel 2, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, hierna genoemd "de bijzondere wet", worden de woorden "bij overgangsmaatregel" geschrapt.

Art.  3.  Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest heeft rechtspersoonlijkheid.

TITEL II. - DE BEVOEGDHEDEN.

Art.  4.  Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest heeft dezelfde bevoegdheden als het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest. De bevoegdheden toegekend aan de Gewestparlementen worden, wat betreft het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, uitgeoefend door middel van ordonnanties.
In afwijking van het eerste lid en onverminderd de toepassing van de artikelen 5bis en 5ter, worden de bevoegdheden die door het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest worden geregeld met toepassing van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet aangewezen door deze bijzondere wet.
Artikel 16 van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Artikel 4bis van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Voor de toepassing van artikel 6, § 1, IX, 11°, van de bijzondere wet, is het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd overeenkomstig artikel 35nonies, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten indien het aantal personen dat in het PWA-systeem is tewerkgesteld gemiddeld over het jaar hoger is dan 1 473 gerechtigden.

Art.  4bis. Onverminderd de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap, oefent het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest de volgende bevoegdheden uit inzake de culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, en, wat betreft deze aangelegenheden, 3°, van de Grondwet :
1° wat de sport bedoeld in artikel 4, 9°, van de bijzondere wet betreft, de financiering en subsidiëring van de gemeentelijke sportinfrastructuur;
2° wat de beroepsomscholing en -bijscholing bedoeld in artikel 4, 16°, van de bijzondere wet betreft, het opzetten van programma's voor beroepsopleidingen voor zover deze kaderen in het werkgelegenheidsbeleid en rekening houden met het specifieke karakter van Brussel;
3° wat de schone kunsten, het cultureel patrimonium, de musea en de andere wetenschappelijk-culturele instellingen bedoeld in artikel 4, 3° en 4°, van de bijzondere wet betreft, de biculturele aangelegenheden voor zover deze van gewestelijk belang zijn.

Art.  5.  Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest mag de uitoefening van bevoegdheden van de Brusselse Agglomeratie opdragen aan de instellingen van openbaar nut die het opricht of aanwijst. In dat geval regelt de Regering de modaliteiten van de overdracht aan die instellingen van de goederen, rechten en verplichtingen van de Brusselse Agglomeratie die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden die hun worden opgedragen.
Na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel, wijst de Regering de diensten of personeelsleden aan die aan die instellingen worden overgedragen en stelt de datum en de modaliteiten van de overdracht vast.
De personeelsleden van de Brusselse Agglomeratie worden overgedragen met hun graad of een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid.
Zij behouden ten minste de bezoldiging en de anciënniteit die zij hadden of zouden hebben verkregen indien zij in hun dienst van herkomst het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun overdracht bekleedden.
De rechtstoestand van die personeelsleden blijft geregeld door de ter zake geldende bepalingen zolang de overheid aan wie zij worden overgedragen, haar bevoegdheid ter zake niet heeft uitgeoefend.
Het bedrag van het pensioen dat zal worden toegekend aan de personeelsleden die ter uitvoering van deze bepaling worden overgedragen, evenals het pensioen van hun rechthebbenden, mag niet kleiner zijn dan het pensioenbedrag dat aan de betrokkenen zou zijn toegekend overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op hen van toepassing waren op het tijdstip van de overdracht, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens algemene maatregelen die van toepassing zijn op de instelling waartoe zij op het tijdstip van de overdracht behoorden.
De Koning kan, op voordracht van de Minister die bevoegd is voor de pensioenen, nadere regels stellen voor de tenlasteneming van de bijkomende uitgaven die voortvloeien uit de waarborgen bepaald in het zevende lid.

Art.  5bis.  De ordonnanties, reglementen en administratieve handelingen van de instellingen bedoeld in de artikelen 1 en 60 en de handelingen, reglementen en verordeningen van de instellingen bedoeld in artikel 48 en van de overige plaatselijke besturen mogen geen afbreuk doen aan het tweetalig karakter, noch aan de op 14 oktober 2012 bestaande waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid genieten in de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art.  5ter.  Tot de schorsing van een norm of een handeling kan worden besloten door het Arbitragehof of de Raad van State indien ernstige middelen de vernietiging van de norm of de handeling rechtvaardigen op grond van artikel 5bis.

TITEL III. - DE MACHTEN.

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen.

Art.  6.  De ordonnantiegevende macht wordt gezamenlijk uitgeoefend door het Parlement en de Regering.
Het recht van initiatief behoort aan de Regering en aan de leden van het Parlement.

Art.  7.  De ordonnantie kan de geldende wetsbepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen.
Zij is van toepassing in het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, van deze wet.

Art.  8. De artikelen 19, § 1, eerste lid, en 20 tot 22, van de bijzondere wet zijn van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, met dien verstande dat het woord “decreet" telkens wordt vervangen door het woord "ordonnantie".
De in dit artikel bedoelde ordonnanties moeten vermelden dat zij aangelegenheden regelen bedoeld in artikel39 van de Grondwet.

Art.  9.  De rechtscolleges mogen enkel de overeenstemming nagaan van de ordonnanties met deze wet en met de Grondwet, met uitzondering van de artikelen van de Grondwet bedoeld door artikel 142, tweede lid, 2° en 3° van de Grondwet, en de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de respectieve bevoegdheden van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten.
Ingeval een gebrek aan overeenstemming wordt vastgesteld, weigeren de rechtscolleges de toepassing van de ordonnantie.


HOOFDSTUK 2. - Het Parlement.

Eerste afdeling. - Samenstelling.

Art.  10.  Het Parlement bestaat uit 89 rechtstreeks verkozen leden.

Art.  10bis.  § 1. Het lid van het Parlement dat door het Parlement gekozen is tot lid van de regering of tot gewestelijk staatssecretaris, houdt onmiddellijk op zitting te hebben en neemt zijn mandaat weer op wanneer zijn ambt van lid van de regering of van gewestelijk staatssecretaris eindigt. Hij wordt vervangen door de eerste opvolger van de lijst waarop hij gekozen is die in aanmerking komt.
Het lid van de regering of de gewestelijke staatssecretaris die ontslag heeft genomen kan echter na een volledige vernieuwing van het Parlement zijn ambt van lid van de regering of van gewestelijk staatssecretaris verenigen met het mandaat van lid van het Parlement tot de verkiezing van een nieuwe regering.
§ 2. Het lid van het Parlement dat tot lid van de Vlaamse regering of van de regering van de Franse Gemeenschap is gekozen houdt onmiddellijk op zitting te hebben en neemt zijn mandaat opnieuw op wanneer zijn ambt van lid van de regering eindigt. Hij wordt vervangen door de eerste opvolger van de lijst waarop hij gekozen is die in aanmerking komt.
Het lid van een gemeenschaps- of gewestregering dat ontslag heeft genomen kan echter na een volledige vernieuwing van het Parlement zijn ambt van lid van de regering verenigen met het mandaat van lid van het Parlement tot de verkiezing van een nieuwe gemeenschaps- of gewestregering
§ 3. De vervanger van het lid in het Parlement bedoeld in de §§ 1 en 2 en in artikel 12, § 3, geniet het statuut van lid van de het Parlement.
In geval van ontslag in de loop van de zittingsperiode van een lid van de regering of van een gewestelijk staatssecretaris bedoeld in § 1, neemt het lid van het Parlement dat hem heeft vervangen zijn plaats van eerste in aanmerking komende opvolger van de lijst waarop hij gekozen is weer in. Hetzelfde geldt in geval van ontslag in de loop van de zittingsperiode van een lid van een regering bedoeld in § 2 of van een federaal minister of staatssecretaris bedoeld in artikel 12, § 3
§ 4. Het Parlement kan bij ordonnantie de bepalingen van dit artikel wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen met dien verstande dat elk lid dat ophoudt zitting te hebben, vervangen wordt en dat degene die hem vervangt, het statuut van lid van het Parlement geniet.

Art.  11. Het Parlement wordt om de vijf jaar volledig vernieuwd. De eerste verkiezingen vinden plaats in 1989 op dezelfde dag als de verkiezingen voor het Europees Parlement.
De latere verkiezingen vinden plaats op de overeenkomstig artikel 117 van de Grondwet bepaalde datum.

Art.  12. § 1. Om lid te zijn van het Parlement moet men :
1° Belg zijn;
2° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;
3° de volle leeftijd van 18 jaar hebben bereikt;
4° zijn woonplaats hebben in een gemeente van het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, van deze wet en in overeenstemming daarmee ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van die gemeente;
5° niet verkeren in een der gevallen van uitsluiting of van schorsing bedoeld in de artikelen 6 tot 9bis van het Kieswetboek.
De verkiesbaarheidsvereisten moeten vervuld zijn op de dag van de verkiezing, met uitzondering van de woonplaats- en de inschrijvingsvereisten waaraan reeds voldaan moet zijn zes maanden vóór de verkiezing.
§ 2. Artikel 24bis, §§ 2 en 2ter, van de bijzondere wet is van toepassing op het mandaat van lid van het Parlement. Behoudens wat de personeelsleden van het onderwijs betreft, is het mandaat van lid van het Parlement bovendien onverenigbaar met het ambt van lid van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag staat van het college van een gemeenschapscommissie of van het verenigd college.
Artikel 23 van de bijzondere wet is van toepassing op het Brussels Hoofdstedelijk Parlement
Bovendien is het mandaat van lid van het Parlement onverenigbaar met het mandaat van lid van het Vlaams Parlement
§ 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 24bis, § 2, 3°, van de bijzondere wet, houdt een lid van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement dat door de Koning tot federaal minister of staatssecretaris wordt benoemd en de benoeming aanneemt, onmiddellijk op zitting te hebben en neemt het zijn mandaat weer op wanneer de Koning een einde heeft gemaakt aan zijn ambt van minister of staatssecretaris. Hij wordt vervangen door de eerst in aanmerking komende opvolger van de lijst waarop hij gekozen is.
Een minister of een staatssecretaris van een federale regering die aan de Koning haar ontslag heeft aangeboden, kan echter na een vernieuwing van het Parlement zijn ambt van minister of staatssecretaris verenigen met het mandaat van lid van het Parlement tot op het ogenblik waarop de Koning over dat ontslag een definitieve beslissing heeft genomen.
Het Parlement kan bij ordonnantie de nadere regelen van de vervanging bedoeld in het eerste lid, tweede zin, wijzigen, aanvullen of vervangen. Het kan bij ordonnantie het tweede lid wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
§ 4. Indien krachtens artikel 138 van de Grondwet, een lid van het Parlement dat lid is van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag van de Franse Gemeenschapsregering staat, overgedragen wordt naar de Franse Gemeenschapscommisie en lid wordt van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag van het College van de Franse Gemeenschapscommissie staat, ontstaat de overenigbaarheid bedoeld in § 2, eerste lid, tweede zin, de zestigste dag na zijn overdracht.
Behalve indien hij geniet van een regime van politiek verlof, verliest de belanghebbende, na verloop van deze termijn, van rechtswege zijn mandaat van lid van het Parlement indien hij niet ondertussen zijn ambt of mandaat heeft opgezegd van lid van het personeel dat rechtstreeks onder het gezag van het College van de Franse Gemeenschapscommissie staat.
§ 5. Het Parlement kan bij ordonnantie bijkomende onverenigbaarheden instellen.

Art.  12bis. Het lid van het Parlement dat zich kandidaat stelt bij de verkiezing voor de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement of het Europese Parlement, en dat als effectief lid verkozen wordt, verliest van rechtswege zijn hoedanigheid van lid van het Parlement op de dag van de geldigverklaring van het nieuwe effectieve mandaat.
Hij verliest die hoedanigheid eveneens van rechtswege zodra hij zijn nieuwe effectieve mandaat verzaakt tussen de dag van de afkondiging van de verkozenen en de dag waarop zijn nieuwe effectieve mandaat geldig wordt verklaard.
Dit artikel is ook van toepassing op de leden van het Parlement die ophielden zitting te hebben ten gevolge van hun verkiezing tot minister of staatssecretaris van hun regering, ten gevolge van hun benoeming tot minister of staatssecretaris van de federale regering of hun verkiezing tot minister of staatssecretaris van een andere gemeenschaps- of gewestregering.

Art.  12ter.  Het Parlement kan bij ordonnantie aanvullende samenstellingsregels bepalen.

Afdeling 2. - Verkiezingen.

Art.  13.  Kiezers voor het Parlement zijn de Belgen die de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, in de bevolkingsregisters van een gemeente van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest zijn ingeschreven en niet verkeren in een der gevallen van uitsluiting of van schorsing bedoeld in de artikelen 6 tot 9bis van het Kieswetboek.
De kiesgerechtigheidsvoorwaarden bedoeld in het vorenstaande lid betreffende de nationaliteit en de inschrijving in de bevolkingsregisters moeten vervuld zijn op de dag van het opstellen van de kiezerslijst; de andere voorwaarden moeten vervuld zijn op de dag van de verkiezing.

Art.  14.  De leden van het Parlement worden rechtstreeks verkozen door een kiescollege datsamengesteld is uit alle kiezers van de gemeenten die deel uitmaken van het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, van deze wet.
Alleen de kiezers die hun stem niet uitbrengen op een lijst van kandidaten die overeenkomstig artikel 17 tot de Franse taalgroep behoren, kunnen eveneens de Brusselse leden van het Vlaams Parlement bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet verkiezen.
Het Parlement kan bij ordonnantie de kieskringen instellen op het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, overeenkomstig artikel 26 van de bijzondere wet.
In geval van toepassing van het derde lid worden op de 89 zetels die het Parlement telt, 72 zetels toegekend aan de lijstengroepen van kandidaten van de Franse taalgroep en 17 zetels aan de lijstengroepen van kandidaten van de Nederlandse taalgroep.
In geval van toepassing van het derde lid worden, indien geen kieskring wordt ingesteld voor het hele grondgebied van het gewest, de 72 zetels die toekomen aan de Franse taalgroep, verdeeld tussen de kieskringen overeenkomstig artikel 26, §§ 3 en 4, van de bijzondere wet en worden de 17 zetels die toekomen aan de Nederlandse taalgroep, verdeeld tussen de kieskringen overeenkomstig artikel 26, §§ 3 en 4.
In geval van toepassing van het derde lid wordt, wanneer een kieskring wordt ingesteld voor het hele grondgebied van het gewest, het aantal zetels dat toegekend wordt aan deze kieskring, verdeeld tussen de Franse taalgroep en de Nederlandse taalgroep met inachtneming van de verhoudingen respectievelijk van 72 op 89 en 17 op 89. Indien het bij die verdeling verkregen aantal geen geheel getal is, wordt de overblijvende fractie afgerond tot de eenheid of weggelaten naargelang zij de helft van de eenheid bereikt of niet. Het overschot van de zetels van elke taalgroep wordt vervolgens verdeeld tussen de overige kieskringen overeenkomstig artikel 26, §§ 3 en 4, van dezelfde bijzondere wet.
In geval van toepassing van het derde lid worden de aantallen 72 en 17 in artikel 20, § 2, vervangen door het aantal zetels dat overeenkomstig het vijfde en het zesde lid respectievelijk in elke kieskring wordt toegekend aan de Franse en de Nederlandse taalgroep.

Art.  15.  In geval van een vacature waarin niet kan voorzien worden door het aanstellen van een opvolger, vergadert het kiescollege binnen veertig dagen na de vacature. De datum van de verkiezing wordt bepaald door een besluit van de Regering.
Indien echter een vacature ontstaat binnen drie maanden vóór de vernieuwing van het Parlement, mag het kiescollege niet worden opgeroepen dan op beslissing van het Parlement.
Het tweede lid geldt eveneens wanneer de vacature veroorzaakt is, hetzij door het ontslag van een titularis en door de afstand van opvolgers, hetzij door het ontslag van een titularis of door de afstand van opvolgers. In die onderscheiden gevallen heeft de eventuele vergadering van het kiescollege plaats binnen veertig dagen na de beslissing.

Art.  16.  Er wordt een gewestbureau samengesteld dat zitting houdt in de stad Brussel. Het Parlement kan bij ordonnantie de plaats waar het gewestbureau zitting houdt, wijzigen. Het gewestbureau wordt gezamenlijk voorgezeten door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg.
Het gewestbureau bestaat, buiten de voorzitters, uit twee Nederlandstalige en twee Franstalige bijzitters, twee Nederlandstalige en twee Franstalige plaatsvervangende bijzitters en een niet-stemgerechtigde secretaris, allen door de voorzitters aangewezen uit de kiezers van de gemeente waar het bureau zitting houdt. Kandidaten mogen geen deel uitmaken van het bureau.
Wanneer artikel 14, derde lid, wordt toegepast, wordt een hoofdbureau samengesteld in de hoofdplaats van elke kieskring. Het Parlement bepaalt bij ordonnantie de hoofdplaats van de kieskringen.
Het hoofdbureau van de kieskring wordt voorgezeten door de vrederechter bevoegd voor de hoofdplaats of, bij zijn ontstentenis, door één van zijn plaatsvervangers naar dienstouderdom.
Het hoofdbureau van de kieskring wordt samengesteld overeenkomstig het tweede lid.

Art.  16bis.  § 1. Bij het voordragen van de kandidaten voor de mandaten van lid van het Parlement, moeten tegelijkertijd en met inachtneming van dezelfde vormen kandidaat-opvolgers worden voorgedragen. Zij moeten, op straffe van nietigheid, voorgedragen worden in dezelfde akte als de kandidaat-titularissen en de samen voorgedragen kandidaten van beide categorieën moeten daarin afzonderlijk worden gerangschikt met nauwkeurige aanduiding van elke categorie.
Het aantal kandidaten voorgedragen voor de opvolging moet gelijk zijn aan het aantal kandidaat-titularissen. Wanneer het aantal kandidaten voorgedragen voor de effectieve mandaten groter is dan zestien, wordt het aantal kandidaat-opvolgers evenwel verplicht vastgesteld op zestien. Wanneer het aantal kandidaten voorgedragen voor de effectieve mandaten kleiner is dan vier, wordt het aantal kandidaat-opvolgers verplicht vastgesteld op vier.
De voordracht van de kandidaat-titularissen en -opvolgers geeft de volgorde aan waarin deze kandidaten in elk van beide categorieën worden voorgedragen.
Geen enkele lijst mag een aantal kandidaat-titularissen bevatten dat groter is dan het aantal te verkiezen leden.
Alleenstaande kandidaturen voor de effectieve mandaten worden geacht ieder een afzonderlijke lijst te vormen.
Op elk van de lijsten mag noch het verschil tussen het aantal kandidaat-titularissen van elk geslacht, noch het verschil tussen het aantal kandidaat-opvolgers van elk geslacht, groter zijn dan één.
Noch de eerste twee kandidaat-titularissen, noch de eerste twee kandidaat-opvolgers van elk van de lijsten mogen van hetzelfde geslacht zijn.
Het Parlement kan bij ordonnantie de bepalingen van de leden 1 tot 4 en 6 en 7 wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
De voordracht van de kandidaten, titularissen en opvolgers, wijst de volgorde aan waarin deze kandidaten in elk van de twee categorieën worden voorgedragen.
Een kiezer mag niet meer dan één voordracht voor dezelfde verkiezing ondertekenen. De kiezer die dit verbod overtreedt, is strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 202 van het Kieswetboek.
§ 2. Binnen zeven dagen die volgen op de definitieve vaststelling van de lijsten, kunnen twee of meer lijsten van kandidaten van eenzelfde taalgroep een wederzijdse verklaring van lijstenverbinding doen met het oog op de toepassing van artikel 20. Een lijst waarvoor geen verklaring van lijstenverbinding wordt afgelegd, wordt geacht een groep te vormen met het oog op de toepassing van artikel 20

Art.  16ter.  De voordracht van de kandidaten voor de verkiezing tot lid van het Vlaams Parlement bedoeld in artikel 24, § 1, eerste lid, 2°, van de bijzondere wet gebeurt tegelijk en volgens dezelfde regels als de voordracht van de kandidaten voor het mandaat van lid van het Parlement.

Art.  17.  § 1. Elke kandidaat voor het Parlement moet, in zijn verklaring van bewilliging, de taalgroep vermelden waartoe hij behoort. Hij blijft tot deze taalgroep behoren bij elke volgende verkiezing.
§ 2. De kandidaten van de Nederlandse taalgroep en de kandidaten van de Franse taalgroep worden op afzonderlijke lijsten voorgedragen.
§ 3. De voordracht van de kandidaten moet getekend zijn :
1° hetzij door ten minste vijfhonderd kiezers voor het Parlement die tot dezelfde taalgroep behoren als de voorgedragen kandidaten;
2° hetzij :
a) voor de eerste verkiezing van het Parlement, door ten minste twee leden van de Wetgevende Kamers die, in die Kamers, tot dezelfde taalgroep behoren als de voorgedragen kandidaten;
b) voor de volgende verkiezingen, door ten minste een aftredend lid van het Parlement dat tot de taalgroep van de voorgedragen kandidaten behoort.
§ 4. Een kandidaat mag niet voorkomen op meer dan één lijst voor een zelfde verkiezing.
De bewilligende kandidaat die het in het vorige lid gestelde verbod overtreedt, is strafbaar met de straffen bepaald bij artikel 202 van het Kieswetboek. Zijn naam wordt geschrapt van alle lijsten waarop hij voorkomt.
§ 5. Onverminderd het bepaalde in de tweede volzin van § 1, wordt de taalgroep van de kandidaten en van de kiezers die kandidaten voordragen, bepaald door de taal waarin hun identiteitskaart is opgemaakt of, wanneer zij in de twee talen is opgemaakt, door de taal van de specifieke vermeldingen op de identiteitskaart.
§ 6. De kandidaten mogen bij het gewestbureau een bezwaarschrift indienen tegen de taalaanhorigheid van een of meer kiezers die een andere kandidaat van dezelfde taalgroep voordragen.
§ 7. De kiezers die kandidaten voordragen, moeten zijn ingeschreven in het bevolkingsregister van een gemeente die deel uitmaakt van het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, van deze wet ten minste sinds de negentigste dag die aan de vastgestelde datum van de verkiezing voorafgaat.

Art.  18.  Onmiddellijk na het afsluiten van de kandidatenlijst maakt het gewestbureau het stembiljet op overeenkomstig het model en de voorschriften bepaald bij de wet.
De lijsten die met toepassing van artikel 16ter worden voorgedragen, staan in het deel van het stembiljet met de lijsten van de kandidaten voor het Parlement die tot de Nederlandse taalgroep behoren en meer bepaald erna.

Art.  19.  Is er slechts één lid van het Parlement te verkiezen, dan wordt de kandidaat die de meeste stemmen heeft verkregen, als gekozen verklaard.
Bij gelijk stemmenaantal is de oudste gekozen.

Art.  20.  § 1. Het stemcijfer van iedere lijst wordt bepaald door de optelling van het getal der stembiljetten waarop op geldige wijze voor die lijst gestemd is.
§ 2. Alvorens over te gaan tot de verdeling van de toe te wijzen zetels, worden 72 zetels omgeslagen over alle lijstengroepen van kandidaten van de Franse taalgroep en worden 17 zetels omgeslagen over alle lijstengroepen van kandidaten van de Nederlandse taalgroep.
Worden enkel toegestaan voor de zetelverdeling :
1° de lijstenverbindingen van kandidaten van de Franse taalgroep van het Parlement, of de lijsten die deel uitmaken van deze taalgroep en die geacht worden een dergelijke verbinding te vormen overeenkomstig artikel 16bis, § 2, die minstens 5 % van het algemeen totaal van de geldig uitgebrachte stemmen ten gunste van al deze lijstenverbindingen of van de als lijstenverbindingen beschouwde lijsten, behaald hebben;
2° de lijstenverbindingen van kandidaten van de Nederlandse taalgroep van het Parlement, of de lijsten die deel uitmaken van deze taalgroep en die geacht worden een dergelijke verbinding te vormen overeenkomstig artikel 16bis, § 2, die minstens 5 % van het algemeen totaal van de geldig uitgebrachte stemmen ten gunste van al deze lijstenverbindingen of van de als lijstenverbindingen beschouwde lijsten, behaald hebben;
3° de lijsten van kandidaten voorgedragen voor de rechtstreekse verkiezing van de Brusselse leden van het Vlaams Parlement, die minstens 5 % van het algemeen totaal van de geldig uitgebrachte stemmen ten gunste van al deze lijsten behaald hebben.
Het gewestbureau berekent voor elke taalgroep een kiesdeler door het algemene totaal van de stembrieven waarmee een geldige stem wordt uitgebracht op de lijsten van kandidaten van een taalgroep te delen door 72 voor de Franse taalgroep en door 17 voor de Nederlandse taalgroep. Het kiescijfer van elke groep van lijsten wordt gevormd door de optelling van het aantal stembrieven waarmee een geldige stem wordt uitgebracht op de lijsten van die groep.
Het gewestbureau deelt de kiescijfers van de groepen van lijsten door de kiesdeler die op hen betrekking heeft en stelt voor elke groep van lijsten het kiesquotiënt vast, waarvan de eenheden overeenkomen met het aantal onmiddellijk verworven zetels. Het deelt vervolgens die kiescijfers achtereenvolgens door 1, 2, 3, enz. als de groep nog geen enkele definitief verworven zetel zou hebben; door 2, 3, 4, enz. als de groep slechts één enkele verworven zetel zou hebben; door 3, 4, 5, enz., als de groep twee zetels zou hebben verworven; enz. De eerste deling gebeurt telkens door een cijfer dat gelijk is aan het totale aantal zetels dat de groep zou halen als ze de eerste van de nog toe te wijzen zetels zou krijgen.
Het bureau rangschikt de quotiënten volgens hun grootte tot een aantal quotiënten wordt verkregen dat gelijk is aan het nog toe te wijzen aantal zetels; bij elke nuttige quotiënt wordt een extra zetel toegekend aan de groep waarop het betrekking heeft. Bij gelijke quotiënten wordt de overblijvende zetel toegekend aan de groep van lijsten met het hoogste kiescijfer.
§ 3. Het gewestbureau verdeelt vervolgens, indien nodig, de zetels die elke groep van lijsten aldus behaald heeft, onder de lijsten waaruit de groep bestaat en gaat over tot de zetelverdeling volgens de regels vervat in de artikelen 29ter, 29quater, 29octies, 29nonies en 29nonies 1 van de bijzondere wet.
Het Parlement kan bij ordonnantie het vorige lid wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen wat de regels van artikel 29octies, tweede lid, en 29nonies, eerste tot derde lid, van de bijzondere wet betreft.

Art.  21.  De stemming is verplicht en geheim. Zij heeft plaats in de gemeente.

Art.  21bis. Bijkomstige maatregelen of detailkwesties met het oog op de organisatie van de verkiezing van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement worden bepaald door de gewone wet.

Afdeling 3. - Werking.

Art.  22.  § 1 . Alleen het Parlement spreekt zich uit over de geldigheid van de kiesverrichtingen wat betreft zijn leden en de opvolgers.
In geval van nietigverklaring van de verkiezing moeten alle formaliteiten overgedaan worden, ook de voordracht van de kandidaten.
§ 2. Elk bezwaar tegen een verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk gebeuren, ondertekend zijn door een van de kandidaten en de identiteit en de woonplaats van de indiener van het bezwaar vermelden.
Het moet binnen tien dagen na het opmaken van het proces-verbaal, en in ieder geval vóór het onderzoek van de geloofsbrieven, aan de griffier van het Parlement tegen ontvangstbewijs overhandigd worden.
Voor de eerste verkiezing moet het bezwaar, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in dit artikel, overhandigd worden aan de griffier van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die het, op zijn beurt, onverwijld doorstuurt aan het oudste lid in jaren van de Raad bedoeld in artikel 27, eerste lid, van deze wet.
§ 3. Elke taalgroep in de Raad onderzoekt de geloofsbrieven van zijn leden en beslist de geschillen die hieromtrent rijzen.
§ 4. De griffier van het Parlement kan zich, met het oog op het onderzoek van de geloofsbrieven door elk van de taalgroepen, door de administratieve overheden kosteloos de stukken doen overleggen die hij nodig acht.
§ 5. Het Parlement of het orgaan dat het aanwijst controleert volgens de bij ordonnantie bepaalde regels :
- de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen die daaraan zijn besteed, met betrekking tot de verkiezing van het Parlement. De federale overheid is evenwel bevoegd voor het vaststellen van de procedures en de formaliteiten betreffende de aangifte;
- alle voor het publiek bestemde mededelingen en voorlichtingscampagnes van de regering of één of meer van haar leden en de gewestelijke staatssecretarissen bedoeld in artikel 41, alsook die van de voorzitter van het Parlement.
De vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie of het door haar aangewezen orgaan controleert alle voor het publiek bestemde mededelingen en voorlichtingscampagnes van haar college of één of meer van zijn leden, alsook die van de assembleevoorzitter.
Het betrokken Parlement of het door hem aangewezen orgaan moet de sancties uitvoeren die met toepassing van de federale wetgeving betreffende de beperking van de verkiezingsuitgaven zijn opgelegd door een andere assemblee of door een door haar aangewezen orgaan.
§ 6. Het Parlement is bevoegd voor de aanvullende financiering van de politieke partijen, zoals bepaald in artikel 1, 2°, van de wet van 19 mei 1994 tot regeling van de verkiezingscampagne en tot beperking en aangifte van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van het Vlaams Parlement, het Waals Parlement, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, alsmede tot vaststelling van de toetsingsnorm inzake officiële mededelingen van de overheid.

Art.  23.  De leden verkozen op Nederlandstalige lijsten vormen de Nederlandse taalgroep. De raadsleden verkozen op Franstalige lijsten vormen de Franse taalgroep.
Er wordt melding gemaakt van de taalgroep van de kandidaat in alle verkiezingsdocumenten waarin de naam van die kandidaat voorkomt en van de taalgroep van het raadslid in alle van het Parlement of de Regering uitgaande documenten waarin de naam van dat lid voorkomt.

Art.  24.  Alvorens in functie te treden leggen de leden van het Parlement de volgende eed
1° als ze lid zijn van de Nederlandse taalgroep : "Ik zweer de Grondwet na te leven".
2° als ze lid zijn van de Franse taalgroep : "Je jure d'observer la Constitution".

Art.  25.  § 1. Het Parlement bepaalt het bedrag van de vergoeding die aan zijn leden wordt toegekend. Deze vergoeding heeft hetzelfde statuut als de vergoeding van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, welke zij niet mag overschrijden. Zij mag worden gecumuleerd met de vergoeding toegekend door een ander Parlement, voor zover de gecumuleerde vergoeding de vergoeding van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers niet overschrijdt. Indien de gecumuleerde vergoeding de vergoeding van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers overschrijdt, wordt de vergoeding toegekend door het Parlement waarvoor het lid niet rechtstreeks gekozen is, dienovereenkomstig verminderd.
Het Parlement bepaalt de vergoeding van de leden van zijn bureau.
Het Parlement stelt ook de pensioenregeling van zijn leden vast en bepaalt de wijze waarop hun reiskosten worden terugbetaald.
§ 1bis. Artikel 31ter, § 1bis, van de bijzondere wet is van toepassing op de vergoeding die aan de leden van(het Brussels Hoofdstedelijk Parlement wordt toegekend.)
§ 2. De lasten voortvloeiend uit de toepassing van § 1 worden gedragen door de begroting van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.

Art.  26.  § 1. Het Parlement komt van rechtswege bijeen ieder jaar op de derde maandag van september1.  Hij kan voordien worden bijeengeroepen door de Regering.
Het Parlement komt na iedere vernieuwing van rechtswege bijeen op de derde dinsdag na de dag waarop de vernieuwing plaatsvond.
Het moet ieder jaar ten minste veertig dagen in zitting blijven.
§ 2. Het Parlement kan door de Regering in buitengewone zitting worden bijeengeroepen.
§ 3. De Regering sluit de zitting.

Art.  27.  Bij de opening van iedere zitting, wordt het Parlement voorgezeten door het oudste id in jaren, bijgestaan door het jongste lid van elke taalgroep.
Het Parlement verkiest onder zijn leden zijn voorzitter, zijn eerste ondervoorzitter, zijn ondervoorzitters en zijn secretarissen. Deze vormen het bureau van het Parlement. De voorzitter en de eerste ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalgroep.
Ten minste een derde van de leden van het bureau moet behoren tot de kleinste taalgroep.
De voorzitter uitgezonderd, worden de leden van het bureau verkozen bij volstrekte meerderheid binnen de taalgroep waartoe ze behoren.
Artikel 33, § 2, van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op de verkiezing van de leden van het bureau.

Art.  28. De artikelen 34, 35, §§ 1 en 2, 36, 37, 38, tot 42, 44 tot 46, 48 en 48bis van de bijzondere wet zijn van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
Voor de toepassing ervan worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in artikel 34 worden de woorden "zijn eerste ondervoorzitter" toegevoegd na de woorden "zijn voorzitter";
2° in de artikelen 36 en 38 wordt het woord "decreet " vervangen door het woord "ordonnantie";
3° in artikel 44 worden de woorden "en van zijn taalgroepen" toegevoegd na de woorden "van zijn politieke fracties". Het reglement van de Kamer van Volksvertegenwoordigers is echter, onverminderd de bepalingen van deze wet, van overeenkomstige toepassing op het Parlement. Het Parlement kan zijn reglement slechts wijzigen bij meerderheid in elke taalgroep. Indien de meerderheid in elke taalgroep niet bereikt is, wordt echter tot een tweede stemming overgegaan die niet na minder dan dertig dagen na de eerste stemming mag plaatshebben. In dit geval wordt het reglement gewijzigd bij volstrekte meerderheid van de stemmen en bij ten minste een derde van de stemmen uitgebracht in elke taalgroep.
De kleinste taalgroep moet hoe dan ook vertegenwoordigd zijn in elke commissie.
4° in artikel 46, tweede lid, worden de woorden "op voorstel van de belanghebbende taalgroep" toegevoegd na de woorden "de personeelsleden van het Parlement" en de woorden "en de adjunct-griffier" na de woorden "de griffier".
Bovendien worden de ordonnanties vastgesteld krachtens artikel 6, § 1, VIII, 1° tot 5°, van de bijzondere wet goedgekeurd bij de volstrekte meerderheid van de stemmen en bij de volstrekte meerderheid in elke taalgroep. Indien de volstrekte meerderheid in elke taalgroep evenwel niet bereikt is, wordt overgegaan tot een tweede stemming die niet na minder dan dertig dagen na de eerste stemming mag plaatshebben. In dit geval wordt de ordonnantie goedgekeurd bij de volstrekte meerderheid van de stemmen en bij ten minste een derde van de stemmen uitgebracht in elke taalgroep.
In afwijking van artikel 35, § 2, van de bijzondere wet worden de in de artikelen 10bis, § 4, 12, § 3, derde lid, en § 5, 12ter, 14, derde tot vijfde lid, 16, eerste, derde tot vijfde lid, 16bis, achtste lid, 20, § 3, tweede lid, 31bis, 34, § 1, derde lid, 35, § 5, en 41, § 8, bedoelde ordonnanties aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen en bij volstrekte meerderheid van de stemmen in elke taalgroep.
In afwijking van artikel 35, § 2, van de bijzondere wet worden de ordonnanties die genomen zijn met toepassing van artikel 92bis/1 van de bijzondere wet, aangenomen bij volstrekte meerderheid van stemmen in elke taalgroep.
In afwijking van artikel 35, § 2, van de bijzondere wet, wordt de in artikel 39bis van de Grondwet bedoelde ordonnantie aangenomen met naleving van de in het voormelde artikel 39bis, tweede lid, bepaalde meerderheidsvereisten en, bijkomend, met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep.

Art.  29.  De ontwerpen va ordonnantie en de amendementen uitgaande van de Regering worden bij het Parlement ingediend in het Nederlands en in het Frans.

De voorstellen van ordonnantie en de amendementen uitgaande van de leden van het Parlement worden ingediend in de taal van de taalgroep waartoe de indiener behoort. Deze voorstellen en amendementen worden door de zorg van het bureau vertaald.

Art.  30.  het Parlement benoemt buiten zijn leden, op voordracht van het bureau, een griffier en een adjunct-griffier. De ene is Nederlandstalig, de andere Franstalig. Zij moeten de andere landstaal voldoende kennen.
De griffier en de adjunct-griffier wonen de vergaderingen van het Parlement en van het bureau bij. De griffier stelt de notulen van deze vergaderingen op.

De griffier oefent, namens het bureau, gezag uit over alle diensten en over het personeel van het Parlement.
De adjunct-griffier staat de griffier bij en vervangt hem indien nodig.

Art.  31.  Behoudens voor de begrotingen kan een met redenen omklede motie, ondertekend door ten minste drie vierde van de leden van een taalgroep van het Parlement en ingediend vóór de eindstemming in openbare vergadering, verklaren dat de bepalingen die zij aanwijst in een ontwerp of voorstel van ordonnantie, de betrekkingen tussen de gemeenschappen ernstig in het gedrang kunnen brengen.
In dit geval wordt de procedure in het Parlement opgeschort en de motie verwezen naar de Regering, die binnen dertig dagen daarover een gemotiveerd advies geeft en eventueel het ontwerp of voorstel amendeert.
Het gemotiveerd advies van de Regering wordt aan het Parlement bezorgd. Deze stemt over de amendementen die de Regering eventueel voorstelt, en vervolgens over het ontwerp of het voorstel in zijn geheel.
Deze procedure kan door de leden van een taalgroep slechts eenmaal worden toegepast ten aanzien van een zelfde ontwerp of voorstel.

Art.  31bis.  Het Parlement kan de bepalingen van de artikelen 26 en 27, vijfde lid, wat de regels betreft die zijn uiteengezet in artikel 33, § 2, van de bijzondere wet, artikel 28, eerste lid, wat de regels betreft die in de artikelen 34, eerste en derde lid, zijn uiteengezet, 37, 41, 46, eerste lid, en 48 van de bijzondere wet, 36, eerste lid, eerste zin, wat de regels betreft die zijn uiteengezet in de artikelen 68, eerste lid, 70 en 73 van de bijzondere wet en 36, § 1, tweede zin, bij ordonnantie wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.

Afdeling 4. - Bekendmaking en inwerkingtreding van de ordonnanties.

Art.  32.  De bekrachtiging en de afkondiging van de ordonnanties geschieden op de volgende wijze :
"het Brussels Hoofdstedelijk Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
Ordonnantie
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt."
"Le Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale a adopté et Nous, Exécutif, sanctionnons ce qui suit :
Ordonnance
Promulguons la présente ordonnance, ordonnons qu'elle soit publiée au Moniteur belge."

Art.  33.  Na hun afkondiging worden de ordonnanties in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, de Nederlandse en Franse tekst tegenover elkaar.
Zij zijn verbindend de tiende dag na die van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, tenzij zij een andere termijn bepalen.

HOOFDSTUK 3. - De Regering.

Afdeling 1. - Samenstelling.

Art.  34.  § 1. De Regering bestaat uit vijf leden door het Parlement gekozen.

Behalve de Voorzitter, telt de Regering twee leden van de Nederlandse taalgroep en twee leden van de Franse taalgroep.
Het Parlement kan bij ordonnantie het maximum aantal leden van de regering wijzigen. Behalve de voorzitter telt de regering evenveel leden van de Nederlandse taalgroep als van de Franse taalgroep.
§ 2. Om tot lid van de Regering gekozen te kunnen worden moet men, op de dag van de verkiezing, voldoen aan de verkiesbaarheidsvereisten bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid. 

Art.  35.  § 1. De kandidaten voor de Regering zijn verkozen indien ze voorgedragen zijn op een zelfde lijst, ondertekend door de volstrekte meerderheid van de leden van het Parlement, met daarin de volstrekte meerderheid van de leden van elke taalgroep. Op deze lijst wordt bij de kandidaten die geen lid zijn van het Parlement, aangeduid tot welke taalgroep zij geacht worden te behoren voor de toepassing van de regels bedoeld in de artikelen 34, § 1, 35, § 4, 36, voorlaatste lid, 37, § 2, 41, § 2, tweede lid, 53, voorlaatste lid, 60, tweede en derde lid en 74bis. Het als eerste op de lijst voorgedragen lid oefent het ambt van voorzitter uit.
Indien op de dag van de verkiezing geen lijst overeenkomstig het eerste lid aan de voorzitter van het Parlement wordt overhandigd, wordt de verkiezing vijftien dagen uitgesteld. Wordt binnen die termijn een zodanige lijst overhandigd, dan komt het Parlement bijeen binnen vijf dagen na de indiening van de lijst. De kandidaten voor de Regering zijn verkozen overeenkomstig het eerste lid.

De lijst bedoeld in het eerste lid en het tweede lid is samengesteld uit personen van verschillend geslacht.
§ 2. Ingeval geen akkoord tot stand gekomen is :
1° wordt de voorzitter van de Regering verkozen bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid van de leden van het Parlement; de voordrachten van kandidaten voor het voorzitterschap van de Regering moeten worden ondertekend door ten minste vijf leden van het Parlement;
2° worden de leden van de Regering bij geheime stemming verkozen in zoveel afzonderlijke stemmingen als er leden te verkiezen zijn, bij volstrekte meerderheid van de leden van het Parlement; de voordrachten van kandidaten moeten worden ondertekend door de volstrekte meerderheid van de leden van de taalgroep waartoe zij behoren.
Indien de volstrekte meerderheid voorgeschreven in het eerste lid, 2°, niet bereikt is, wordt een nieuwe verkiezing gehouden binnen een termijn die niet korter mag zijn dan dertig dagen. In dit geval moeten de voordrachten van kandidaten naargelang van het geval worden ondertekend door de volstrekte meerderheid van de leden van de Franse taalgroep of, niettegenstaande artikel 10, de volstrekte meerderheid van de leden van de Vergadering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, die overeenkomstig artikel 60, vijfde lid, is samengesteld.
Ingeval kandidaten worden voorgedragen die geen lid zijn van het Parlement, wordt vermeld tot welke taalgroep zij worden geacht te behoren voor de toepassing van de regels bedoeld in de artikelen 34, § 1, 35, § 4, 36, voorlaatste lid, 37, § 2, 41, § 2, tweede lid, 53, voorlaatste lid, 60, tweede en derde lid, en 74bis. Niemand mag meer dan een voordracht per mandaat ondertekenen.
Vóór de voordracht van kandidaten zoals bedoeld in het eerste lid, 2°, en het tweede lid plegen de taalgroepen of, bij toepassing van de regel bedoeld in het tweede lid, de Franse taalgroep en de leden van de Vergadering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie die is samengesteld overeenkomstig artikel 60, vijfde lid, eventueel overleg met het oog op de naleving van artikel 11bis, tweede lid, van de Grondwet.
§ 3. De artikelen 60, § 3, derde en vierde lid, en § 4, derde lid, en 62 van de bijzondere wet, alsook artikel 12, §§ 2 en 4, van deze wet zijn mede van toepassing op de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
Niemand kan tegelijkertijd lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en lid van een andere Gewestregering zijn.
§ 3bis. Onverminderd het bepaalde in artikel 24bis, § 2, 1° en 2°, van de bijzondere wet, houdt een lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of een in artikel 67, § 1, 6° en 7°, van de Grondwet bedoelde senator die gekozen wordt tot lid van de Regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, onmiddellijk op zitting te hebben en neemt hij zijn mandaat weer op wanneer zijn ambt van minister een einde neemt. De wet stelt de nadere regelen van zijn vervanging in de betrokken Kamer vast.
Niemand kan tegelijk lid van de Brusselse Hoofdstedelijke regering of gewestelijk staatssecretaris en lid van het Vlaams Parlement zijn. Het lid van de regering of de gewestelijke staatssecretaris die ontslag heeft genomen, kan echter na de volledige vernieuwing van het Vlaams Parlement zijn ambt van lid van de regering of van gewestelijk staatssecretaris verenigen met het mandaat van lid van het Vlaams Parlement tot de verkiezing van een nieuwe regering.
§ 4. Onverminderd artikel 37, § 2, van deze wet wordt de orde van voorrang van de leden van de Regering, de voorzitter uitgezonderd, bepaald door de orde van verkiezing of van voordracht, te beginnen met de taalgroep waartoe de voorzitter niet behoort en vervolgens afwisselend per taalgroep.
§ 5. Het Parlement kan bij ordonnantie bijkomende onverenigbaarheden instellen.

Afdeling 2. - Werking.

Art.  36.  § 1. De artikelen 68, eerste lid, 69, 70, 72 en 73 van de bijzondere wet zijn mede van toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt het statuut van haar leden.
Het Parlement kan te allen tijde een motie van wantrouwen tegen de Regering of een of meer van haar leden aannemen.
Deze motie is alleen dan ontvankelijk wanneer zij een opvolger voorstelt, naar gelang van het geval, voor de Regering, voor een lid of voor meer leden.
Over de motie van wantrouwen kan slechts gestemd worden na verloop van achtenveertig uur.
Zij kan slechts aangenomen worden bij de meerderheid van de leden van het Parlement wanneer ze gericht is tegen de voorzitter, en bij de meerderheid van de leden van het Parlement en de meerderheid van de leden van elke taalgroep, wanneer ze gericht is tegen de Regering.
Wanneer ze gericht is tegen een lid van de Regering, met uitzondering van de voorzitter, kan ze slechts worden aangenomen bij de meerderheid van de leden van de taalgroep waartoe dit lid van de Regering behoort.
Wanneer evenwel, in geval van toepassing van artikel 35, § 2, tweede lid, zo'n motie gericht is tegen een lid van de regering dat tot de Nederlandse taalgroep behoort, moet zij, niettegenstaande artikel 10, worden aangenomen bij volstrekte meerderheid van de leden van de Vergadering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, samengesteld overeenkomstig artikel 60, vijfde lid.
De aanneming van de motie heeft het ontslag van de Regering of van het betwiste lid of de betwiste leden tot gevolg, benevens de aanstelling van de nieuwe Regering, het nieuwe lid of de nieuwe leden.
§ 2. De aanneming van een motie van wantrouwen tegen het college of een of meer van haar leden, wanneer de Franse Gemeenschapscommissie overeenkomstig artikel 138, van de Grondwet, decreetgevende macht uitoefent, heeft niet enkel het ontslag tot gevolg van het college of van het betwiste lid of de betwiste leden, maar ook, naar gelang het geval, van de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering die tot de Franse taalgroep behoren of van één lid of meer leden hiervan. De aanneming van de motie heeft niet alleen de aanstelling tot gevolg van het nieuwe college, het nieuwe lid of de nieuwe leden, maar ook, naar gelang het geval, van de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering die tot de Franse taalgroep behoren of van één lid of meer leden hiervan.
Wanneer bedoeld ontslag en aanstelling betrekking hebben op de Voorzitter is bovendien artikel 35, § 2, derde lid, van toepassing.

Art.  37.  § 1. De Regering verdeelt onder haar leden de taken met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van haar beslissingen. Bij gebreke van een consensus hierover worden de bevoegdheden van de leden verdeeld volgens de volgende groepen van aangelegenheden :
I. Economisch beleid, energiebeleid, toerisme en biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang;
II. Openbare werken en vervoer;
III. Tewerkstellingsbeleid en beroepsopleiding, en lokale besturen en de financiering alsook de subsidiëring van gemeentelijke sportinfrastructuur;
IV. Ruimtelijke ordening, huisvesting, leefmilieu, natuurbehoud, landinrichting en waterbeleid;
V. Financiën, begroting, openbaar ambt en externe betrekkingen.
§ 2. De voorzitter van de Regering kiest als eerste één van de groepen van aangelegenheden vermeld onder § 1. De leden van de grootste taalgroep maken volgens hun orde van voorrang de tweede en de vierde keuze. De leden van de kleinste taalgroep maken volgens hun orde van voorrang de derde en de vijfde keuze.

Afdeling 3. - Bevoegdheden.

Art.  38.  De artikelen 78, 79, §§ 1 en 3, en 80 tot 83 van de bijzondere wet zijn van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, met dien verstande dat in de artikelen 78, 79, § 1, en 83, § 1, 1°, en § 3, het woord "decreet" wordt vervangen door het woord "ordonnantie" en in artikel 80 de woorden "Het eensluidend advies van de Vlaamse Executieve of van de Executieve van het Waalse Gewest" worden vervangen door de woorden "Het eensluidend advies van de Executieve".

Afdeling 4. - De bekendmaking en inwerkingtreding van de besluiten.

Art.  39.  De besluiten van de Regering worden opgesteld in het Nederlands en in het Frans en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad de Nederlandse en de Franse tekst tegenover elkander.
Wanneer zij geen belang hebben voor de algemeenheid van de burgers, mogen de in het eerste lid bedoelde besluiten evenwel bij uittreksel of in de vorm van een gewone vermelding in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt; wanneer hun bekendmaking geen openbaar nut heeft, mag deze achterwege worden gelaten.
De besluiten zijn verbindend de tiende dag na die waarop zij in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt, tenzij zij een andere termijn bepalen. De besluiten waarvan kennis is gegeven aan de belanghebbenden, zijn verbindend vanaf de kennisgeving of vanaf de bekendmaking, als deze voorafgaat.

Afdeling 5. - De diensten.

Art.  40.  § 1. Artikel 87 van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest vanaf het ogenblik waarop de Regering de diensten en het personeel vermeld in § 2 van dit artikel heeft overgenomen.
§ 2. De personeelsleden van het Ministerie van het Brusselse Gewest worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, aan de Regering overgedragen met het oog op het uitoefenen van de bevoegdheden die door deze wet aan de Regering worden toegekend.
Wanneer echter op de datum van de in het eerste lid bedoelde overdracht niet alle betrokken personeelsleden van de ministeries een aanwijzing hebben gekregen bij het Ministerie van het Brusselse Gewest, worden de nog niet aangewezen personeelsleden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit rechtstreeks overgedragen aan de Regering.
Na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel, stelt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de datum en de nadere regelen vast voor de overdracht van de in het eerste en het tweede lid bedoelde personeelsleden van de Regering.
Die personeelsleden worden overgedragen met hun graad of een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid.
Zij behouden ten minste de bezoldiging en de anciënniteit die zij hadden of zouden hebben verkregen indien zij in hun dienst van herkomst het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun overgang bekleedden.
De rechtstoestand van die personeelsleden blijft geregeld door de ter zake geldende bepalingen zolang de Koning geen gebruik heeft gemaakt van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid.
§ 3. De bezoldiging en de werkingskosten van de in § 2 genoemde personeelsleden en diensten komen ten laste van de begroting van het Gewest.

HOOFDSTUK 4. - De Gewestelijke Staatssecretarissen.

Art.  41.  § 1. Op voorstel van de Regering verkiest het Parlement drie Gewestelijke Staatssecretarissen van wie ten minste één van de minst talrijke taalgroep volgens dezelfde procedure als bepaald voor de leden van de Regering. Wanneer de Regering geen personen van verschillend geslacht telt die tot dezelfde taalgroep behoren, draagt zij minstens één kandidaat van het andere geslacht voor die tot die taalgroep behoort. Wanneer de Regering kandidaten voorstelt die geen lid zijn van de Raad wordt aangeduid tot welke taalgroep zij geacht worden te behoren voor de toepassing van de regels bedoeld in § 2, tweede lid, § 4, en in artikel 60, tweede en derde lid.
Om tot Gewestelijk Staatssecretaris gekozen te kunnen worden moet men, op de dag van zijn verkiezing, voldoen aan de verkiesbaarheidsvereisten bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid.  

§ 2. De Gewestelijke Staatssecretarissen maken geen deel uit van de Regering, maar kunnen haar vergaderingen geheel of gedeeltelijk bijwonen.
Elke Gewestelijke Staatssecretaris wordt toegevoegd aan een lid van de Regering dat tot dezelfde taalgroep behoort. Dit lid van de Regering bepaalt zijn bevoegdheden.
§ 3. Als de Regering binnen drie maanden na haar eedaflegging geen voorstel doet zoals bedoeld in de eerste paragraaf, bepaalt het Parlement, bij volstrekte meerderheid van zijn leden, de verdeling over de taalgroepen van de drie Gewestelijke Staatssecretarissen. Ten minste één van hen behoort tot de minst talrijke taalgroep.
De gewestelijke staatssecretarissen worden bij geheime stemming verkozen in zoveel afzonderlijke stemmingen als er Staatssecretarissen te verkiezen zijn, bij de volstrekte meerderheid van de leden van het Parlement. De voordrachten van kandidaten moeten worden ondertekend door de volstrekte meerderheid van de leden van de taalgroep waartoe zij behoren.  

Indien de volstrekte meerderheid niet bereikt is, wordt door het Parlement een nieuwe verkiezing gehouden binnen een termijn die niet korter mag zijn dan dertig dagen. In dit geval moeten de voordrachten van kandidaten naargelang van het geval worden ondertekend door de volstrekte meerderheid van de leden van de Franse taalgroep of, niettegenstaande artikel 10, door de volstrekte meerderheid van de leden van de Vergadering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, die is samengesteld overeenkomstig artikel 60, vijfde lid.
Wanneer de Regering geen personen van verschillend geslacht telt die tot dezelfde taalgroep behoren, dragen de leden van die groep of, bij toepassing van de regel zoals bedoeld bij het derde lid, de leden van de Vergadering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie die samengesteld is overeenkomstig artikel 60, vijfde lid, minstens één kandidaat van het andere geslacht voor.
Voor het geval dat gewestelijke staatssecretarissen worden verkozen die geen lid zijn van (het Parlement), wordt vermeld tot welke taalgroep zij worden geacht te behoren voor de toepassing van de regels bedoeld in § 2, tweede lid, in § 4 en in artikel 60, tweede en derde lid.
Zij worden in de volgorde waarin zij worden verkozen en met inachtneming van § 2, tweede lid, toegevoegd aan de leden van de regering die de groepen van aangelegenheden bedoeld in artikel 53, tweede lid, hebben gekozen. Artikel 60, § 3, derde en vierde lid, van de bijzondere wet is in een zodanig geval van toepassing.
§ 4. De Gewestelijke Staatssecretarissen zijn verantwoordelijk aan het Parlement onder dezelfde voorwaarden als de leden van de Regering.
§ 5. Artikel 35, § 3 en § 3bis, van deze wet is mede van toepassing op de gewestelijke staatssecretarissen.
§ 6. De Gewestelijke Staatssecretarissen leggen de eed af in de handen van de voorzitter van het Parlement.
§ 7. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt het statuut van de gewestelijke staatssecretarissen die geen lid zijn van het Parlement, zonder dat hun vergoeding die van de gewestelijke staatssecretarissen die lid zijn van het Parlement overschrijdt.
§ 8. Het Parlement kan bij ordonnantie het aantal Gewestelijke staatssecretarissen wijzigen. Ten minste een derde van de Gewestelijke staatssecretarissen moet behoren tot de kleinste taalgroep.


TITEL IV. - SAMENWERKING TUSSEN DE STAAT, DE GEMEENSCHAPPEN EN DE GEWESTEN.

Art.  42.Titel IVbis "Samenwerking tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten" van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. 

Indien het ontwerp of het voorstel van gezamenlijk decreet bedoeld in artikel 92bis/1 van de bijzondere wet, bij het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt ingediend, behoort ten minste een derde van de delegatie van het Parlement in de interparlementaire commissie bedoeld in artikel 92bis/1, § 2, tweede lid, van de bijzondere wet tot de minst talrijke taalgroep met een minimum van drie leden.
De proportionele vertegenwoordiging bedoeld in artikel 92bis/1, § 2, tweede lid, van de bijzondere wet wordt, wat de delegatie van het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, per taalgroep georganiseerd.
Onverminderd artikel 92bis/1, § 2, vijfde lid, van de bijzondere wet, wordt een ontwerp of voorstel van gezamenlijk decreet bedoeld in artikel 92bis/1 van de bijzondere wet, door de interparlementaire commissie aangenomen bij volstrekte meerderheid van de stemmen in elke taalgroep binnen de delegatie van het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
De overeenkomstig het vierde lid aangenomen ordonnanties hebben naar gelang van de betrokken entiteiten als opschrift "gezamenlijk decreet en ordonnantie van" of "gezamenlijke ordonnantie van" gevolgd door de benaming van alle entiteiten die deze decreten of ordonnanties aannemen.

Art.  43.  Er wordt een samenwerkingscommissie opgericht die beraadslaagt, volgens de procedure van de consensus, over initiatieven die de Staat en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest samen kunnen nemen tot uitbouw en bevordering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel.
De initiatieven vermeld in het eerste lid kunnen geheel of gedeeltelijk gefinancierd worden door de staatsbegroting.

Art.  44.  De samenwerkingscommissie bestaat uit een gelijk aantal Ministers en leden van de Regering. Dit aantal wordt bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
De samenwerkingscommissie wordt samengesteld met inachtneming van de taalpariteit binnen iedere afvaardiging.

Art.  45.  Ter vrijwaring van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, de uitvoering schorsen van de ordonnanties van het Parlement en de besluiten van de Regering, die betrekking hebben op de aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, I, 1°, en X, van de bijzondere wet.
Het besluit tot schorsing moet binnen zestig dagen na de bekendmaking van de ordonnanties of besluiten worden genomen.
In dat geval legt de Ministerraad, zodra het schorsingsbesluit is genomen, de aangelegenheid voor aan de samenwerkingscommissie die zich uitspreekt binnen een termijn van zestig dagen.
Bij gebrek aan overeenstemming binnen deze termijn, kan de schorsing verlengd worden voor een periode van zestig dagen.
De Senaat en, na de herziening van de artikelen 53 en 54 van de Grondwet, de Kamer van Volksvertegenwoordigers kan, binnen deze verlengde termijn, de ordonnantie van het Parlement of het besluit van de Regering vernietigen bij meerderheid in beide taalgroepen. Zoniet, dan wordt de schorsing definitief opgeheven.
De resolutie waarmee de bevoegde Kamer een ordonnantie van het Parlement of een besluit van de Regering vernietigt, wordt opgesteld in het Nederlands en in het Frans en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, de Nederlandse en de Franse tekst tegenover elkander.

Art.  46.  De Ministerraad legt voor overleg aan de samenwerkingscommissie de maatregelen voor met betrekking tot de aangelegenheden vermeld onder artikel 45, eerste lid, van deze wet die het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest volgens hem zou moeten nemen ter bevordering van de internationale rol of de hoofdstedelijke functie van Brussel.
De Regering van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest voert de maatregelen uit getroffen door de samenwerkingscommissie; de financiering ervan kan ten laste vallen van de staatsbegroting en de gewestbegroting.
In geval het overleg binnen de samenwerkingscommissie niet tot een akkoord leidt, kan de Ministerraad aan de bevoegde Kamer vragen die maatregelen goed te keuren bij meerderheid in beide taalgroepen. In dat geval worden ze volledig gefinancierd door de staatsbegroting.
De resolutie waarmee de bevoegde Kamer die maatregelen goedkeurt, wordt opgesteld in het Nederlands en in het Frans en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, de Nederlandse en de Franse tekst tegenover elkander.

Art.  46bis.  Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid verdeeld onder de gemeenten waarvan het college van burgemeester en schepenen is samengesteld in overeenstemming met artikel 279 van de nieuwe gemeentewet of waarvan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt voorgezeten in overeenstemming met het voornoemde artikel.
Het basisbedrag van deze middelen is gelijk aan 24 789 352,48 EUR. Vanaf 2003 wordt dat bedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 47, § 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
Deze middelen worden verdeeld onder de in het eerste lid bedoelde gemeenten volgens de criteria en de wegingen bepaald in de artikelen 5 tot 15 van de ordonnantie van 21 december 1998 tot vaststelling van de regels voor de verdeling van de algemene dotatie aan de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. De middelen worden aan elke betrokken gemeente toegekend a rato van de periode van het jaar waarin deze voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarde.
De regering verdeelt de bijzondere dotatie en keert het aandeel van de betrokken gemeenten uit, overeenkomstig de mechanismen van de voornoemde ordonnantie. Voor de eerste keer wordt de bijzondere dotatie echter verdeeld vóór 31 januari 2002.

TITEL V. - SLOTBEPALING.

Art.  47.  Bij overgangsmaatregel, tot aan de installatie van de organen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, worden de machten aan het Parlement en aan de Regering toegewezen bij Boek I van deze wet, respectievelijk uitgeoefend door de Kamers en door de Koning overeenkomstig de gecoördineerde wet van 20 juli 1979 tot oprichting van voorlopige gemeenschaps- en gewestinstellingen.
§ 2. Na er de toelating toe gekregen te hebben van het Parlement, bepaalt de Regering de datum waarop elk van de bepalingen van artikel 2, B, C en D van de wet van 21 augustus 1987 tot wijziging van de wet houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten en houdende bepalingen betreffende het Brusselse Gewest, hierna genoemd "de wet van 21 augustus 1987", in werking treedt. Artikel 30, § 3, van de wet van 21 augustus 1987 wordt opgeheven.
§ 3. De Regering oefent de bevoegdheden uit toegekend aan de Koning bij de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en federaties van gemeenten en de wet van 21 augustus 1987 wat betreft de Brusselse agglomeratie.
§ 4. het Parlement kan alle financiële middelen aanwenden die hem worden toegekend voor de financiering van zowel de begroting met betrekking tot de aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet als de begroting met betrekking tot de aangelegenheden bedoeld in artikel 166, § 2, van de Grondwet.


BOEK II. - BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ARTIKEL 166, § 2, VAN DE GRONDWET.

Art.  48.  Onverminderd de leden 2 tot 4 en onverminderd de toepassing van artikel 53 van deze wet worden de bevoegdheden van de Raad en van het college van de Brusselse agglomeratie respectievelijk uitgeoefend door het Parlement en door de Regering bedoeld bij artikel 1, met naleving van de werkingsregels bepaald in Boek I en met uitzondering van artikel 37 van deze wet.
De in artikel 4, § 2quater, 1°, 2° en 7°, van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en federaties van gemeenten bedoelde bevoegdheden worden uitgeoefend door de voorzitter van de regering bedoeld in artikel 34.
De regering kent een hoge ambtenaar die zij wijst, op eensluidend advies van de federale regering, bepaalde van deze opdrachten toe, in het bijzonder de opdrachten betreffende de civiele veiligheid en de uitwerking van de plannen voor noodtoestanden, en met uitsluiting van de opdrachten betreffende de ordehandhaving, de coördinatie van de veiligheid en de harmonisering van de gemeentelijke politiereglementen. Indien het advies van de federale regering niet wordt uitgebracht binnen de veertig dagen van de kennisgeving door de gewestregering van het voorstel van benoeming, wordt het geacht gunstig te zijn.
De in artikel 4, § 2quater, 3° en 4°, van dezelfde wet bedoelde bevoegdheden worden uitgeoefend door de regering bedoeld in artikel 34.

Art.  49.  In artikel 3, § 2, van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en federaties van gemeenten, zoals gewijzigd door de wet van 21 augustus 1987 en hierna genoemd "de wet van 26 juli 1971", worden de woorden "onder voorbehoud van de bijzondere bepalingen van hoofdstuk VIII" vervangen door de woorden "onder voorbehoud van artikel 61 en de bijzondere wet met betrekking tot de Brusselse instellingen".

Art.  50.  De overdrachten van bevoegdheden bedoeld bij artikel 4, §§ 3 en 4, van de wet van 26 juli 1971 kunnen niet dan met het akkoord van het Parlement plaats vinden.
Het akkoord bedoeld in het vorige lid bepaalt de regeling van de financiële bijdrage van de Staat, van de provincie of van de gemeente.
Bij overdracht van bevoegdheden met toepassing van artikel 4, §§ 3 en 4, 2°, van de wet van 26 juli 1971 brengt de Regering van ambtswege, wanneer de gemeenteraad dit weigert te doen, de ten laste van de gemeente opgelegde bijdrage krachtens het in het tweede lid bedoeld akkoord op de begroting van de gemeente aan.
Wanneer de Brusselse agglomeratie bevoegdheden uitoefent die bij artikel 4 van de wet van 26 juli 1971 zijn bepaald, heft de Regering vanaf het volgend belastingjaar de belastingreglementen met betrekking tot de verhaalbelastingen van de gemeenten op, rekening houdend met de vermindering van de lasten gedragen door de gemeenten en met de toepassing van het tweede lid.

Art.  51.  § 1. Door het Parlement worden binnen de perken van de bevoegdheden van de agglomeratie opgelegd :
1° taksen;
2° opcentiemen op de provincietaksen;
3° opcentiemen op de onroerende voorheffing;
4° retributies.
§ 2. De Regering int de taksen, belastingen en retributies bedoeld bij § 1.
§ 3. De Brusselse agglomeratie mag subsidies, schenkingen en legaten ontvangen. De artikelen 910 en 937 van het Burgerlijk Wetboek zijn daarop niet van toepassing.

Art.  52.  De bevoegdheden bedoeld bij artikel 48 van deze wet worden met verordeningen uitgeoefend wat het Parlement betreft en met besluiten wat de Regering betreft.
Bedoelde verordeningen en besluiten moeten vermelden dat zij de aangelegenheden bedoeld bij artikel 166, § 2 , van de Grondwet regelen.
De regelen van inwerkingtreding en bekendmaking vastgesteld in Boek I zijn van toepassing op deze besluiten en verordeningen.

Art.  53.  Bij gebrek aan consensus over de taakverdeling in de schoot van de Regering, worden de bevoegdheden bedoeld bij artikel 48, eerste lid, van deze wet, overeenkomstig het tweede en derde lid, verdeeld onder de leden, de voorzitter niet inbegrepen, met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van haar beslissingen.
De groepen van aangelegenheden zijn :
1° De brandweer en de dringende geneeskundige hulpverlening;
2° Het ophalen en verwerken van huisvuil;
3° Het bezoldigd vervoer van personen en de coördinatie van de gemeenteactiviteiten.
De aangelegenheden opgesomd in groep V van de bevoegdheden bedoeld in artikel 37 van deze wet, hebben betrekking op het geheel van aangelegenheden bedoeld in de Boeken I en II.
De leden van de grootste taalgroep verrichten volgens hun orde van voorrang de eerste en de derde keuze. Het eerste lid van de kleinste taalgroep verricht de tweede keuze.
Iedere nieuwe bevoegdheid die aan de Brusselse agglomeratie krachtens artikel 47, § 2, van deze wet en van artikel 4, §§ 3 en 4, van de wet van 26 juli 1971 wordt toegekend, wordt toegevoegd aan de groep van bevoegdheden bedoeld bij het tweede lid, 3°, van dit artikel.

Art.  54.  De procedure bepaald in artikel 31 is van toepassing op de ontwerpen en de voorstellen van verordening.

Art.  55.  De Regering va het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest benoemt en ontslaat de personeelsleden van de Brusselse agglomeratie. Zij stelt hun administratief en geldelijk statuut vast binnen de perken van artikel 87 van de bijzondere wet en naar analogie met het statuut van de diensten van de Regering.
Zij werkt voor de personeelsleden van de Brusselse agglomeratie die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet in dienst zijn, een overgangsregeling uit, die hen in staat stelt, ten persoonlijke titel, hun administratief, geldelijk en taalstatuut te bewaren.

Art.  56.  De leden van het personeel van de Brusselse agglomeratie mogen aan de diensten van de Regering en aan openbare instellingen worden overgedragen.
Na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel, bepaalt de Regering de diensten of de personeelsleden die met die overdracht zijn bedoeld, evenals de datum en de nadere regelen voor die overdracht.
De personeelsleden van de Brusselse agglomeratie worden overgedragen in hun graad of een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid.
Zij behouden ten minste de bezoldiging en de anciënniteit die zij hadden of zouden hebben verkregen indien zij in hun dienst van herkomst het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun overdracht bekleedden.
De rechtstoestand van die personeelsleden blijft geregeld door de ter zake geldende bepalingen zolang de overheid waaraan zij worden overgedragen, haar bevoegdheid ter zake niet heeft uitgeoefend.
Het bedrag van het pensioen dat zal worden toegekend aan de personeelsleden die ter uitvoering van deze bepaling werden overgedragen, evenals het pensioen van hun rechthebbenden, mag niet kleiner zijn dan het pensioenbedrag dat aan de betrokkenen zou zijn toegekend overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op hen van toepassing waren op het tijdstip van de overdracht, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens algemene maatregelen die van toepassing zijn op de instelling waartoe zij op het tijdstip van de overdracht behoorden.
De Koning kan, op voordracht van de Minister die bevoegd is voor de pensioenen, nadere regels stellen voor de tenlasteneming van de bijkomende uitgaven die voortvloeien uit de waarborgen bepaald in het zesde lid.

Art.  57.  Het mandaat van de leden van de agglomeratieraad en het agglomeratiecollege eindigt van rechtswege respectievelijk bij de eedaflegging van de leden van het Parlement en de door hem verkozen Regering.

Art.  58.  De Regering regelt de wijze van overdragen aan de gemeenten van de goederen, rechten en verplichtingen van de Brusselse agglomeratie die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden in de aangelegenheden waarvoor zij niet meer bevoegd is vanaf de inwerkingtreding van de wet van 21 augustus 1987.

Art.  59.  De artikelen 6 tot 34, 35, § 5, 36 tot 41, 42, 3° tot 5° en 10°, tweede zin, 43, 44, 45, § 2, 47, § 1, derde en vierde lid, 48 tot 50, 52, 53, 56 en 57, van de wet van 26 juli 1971 zijn op de Brusselse agglomeratie niet toepasselijk.
De toestemming bedoeld bij artikel 54, § 1, van dezelfde wet is niet vereist wat de Brusselse agglomeratie betreft.
Opgeheven worden :
1° artikel 46, § 1, derde lid, en artikel 47, § 2, van dezelfde wet;
2° de artikelen 62 tot 69 van dezelfde wet;
3° artikel 71 van dezelfde wet vanaf de installatie van de organen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
4° artikel 25 van de wet van 21 augustus 1987.


BOEK III. - BEPALINGEN TER UITVOERING VAN DE ARTIKELEN 135, EN 136, VAN DE GRONDWET.

TITEL I. - VOORAFGAANDE BEPALINGEN.

Art.  60.  Er zijn drie instellingen met rechtspersoonlijkheid voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld bij de artikelen 135 , en 136, van de Grondwet.
De instelling die bevoegd is voor de aangelegenheden van de Vlaamse Gemeenschap van Brussel-Hoofdstad, hierna "de Vlaamse Gemeenschapscommissie" genoemd, heeft als organen de Nederlandse taalgroep van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en een college bestaande uit de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de gewestelijke staatssecretarissen die tot de Nederlandse taalgroep behoren.
De instelling die bevoegd is voor de aangelegenheden van de Franse Gemeenschap van Brussel-Hoofdstad, hierna "de Franse Gemeenschapscommissie" genoemd, heeft als organen de Franse taalgroep van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en een college bestaande uit de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering en de gewestelijke staatssecretarissen die tot de Franse taalgroep behoren.
De instelling die bevoegd is voor de gemeenschapsaangelegenheden gemeen aan beide Gemeenschappen van Brussel-Hoofdstad, hierna "de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie" genoemd, heeft als organen een verenigde vergadering bestaande uit de leden van de taalgroepen bedoeld bij het tweede en het derde lid en een verenigd college bestaande uit de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
Voor de bevoegdheden die de Vlaamse Gemeenschapscommissie alleen uitoefent omvat de in het tweede lid bedoelde taalgroep bovendien vijf leden die overeenkomstig artikel 60bis worden verkozen.
Binnen de beperkingen van artikel 25 en onverminderd artikel 83, bepaalt de Vergadering van de Vlaamse Gemeenschapscommissie het bedrag van de aan deze vijf leden toegekende vergoeding, alsook hun pensioenstelsel en de terugbetaling van hun verplaatsingskosten.
De lasten die voortvloeien uit de toepassing van het vijfde en het zesde lid worden gefinancierd middels de begroting van de Vlaamse Gemeenschapscommissie.


Art.  60bis.  Voor de aanwijzing van de leden bedoeld in artikel 60, vijfde lid, wijst het gewestbureau bedoeld in artikel 20, § 2, de zetels toe aan de lijsten die tot de Nederlandse taalgroep behoren en voor de verkiezing van de Raad zijn voorgedragen. Deze toewijzing wordt bepaald door de rangschikking van de quotiënten die worden verkregen wanneer het totale kiescijfer dat elke lijst in elk kiesdistrict voor de Vlaamse Raad heeft gehaald, achtereenvolgens door 1, 2, 3, 4, 5, enz. wordt gedeeld.
Een lijst die tot de Nederlandse taalgroep behoort en voor de verkiezing van de Raad voorgedragen wordt, krijgt de quotiënten behaald door de lijst met hetzelfde letterwoord bij de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Vlaamse Raad.
De quotiënten die zijn behaald door een lijst voorgedragen voor de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Vlaamse Raad, worden toegekend aan een lijst met een verschillend letterwoord die tot de Nederlandse taalgroep behoort en die voor de verkiezing van de Raad is voorgedragen, wanneer beide in die zin een verklaring hebben afgelegd bij het voordragen van hun lijst.
Ingeval lijsten met elkaar verbonden worden ter uitvoering van artikel 16bis, krijgen de betrokken lijsten de som van de quotiënten behaald door de andere lijsten die hetzelfde of een overeenkomstig letterwoord hebben in overeenstemming met het vorige lid en die voor de rechtstreekse verkiezing van de leden van de Vlaamse Raad zijn voorgedragen.
Op elke lijst worden de leden overeenkomstig artikel 172 van het Kieswetboek aangewezen onder de kandidaten die niet voor de Raad zijn verkozen.

Art.  61.  De gemeenschapsaangelegenheden bedoeld in artikel 136, eerste lid, van de Grondwet zijn die welke opgedragen zijn of zullen worden aan de Vlaamse Gemeenschap en aan de Franse Gemeenschap.


TITEL II. - DE BEVOEGDHEDEN VAN DE INSTELLINGEN EN VAN DE ORGANEN.

Art.  62.  De ordonnanties, verordeningen en besluiten genomen op grond van de artikelen 135, en 136, van de Grondwet, zijn van toepassing op het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, van deze wet.

Art.  63.  Onverminderd de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap, oefenen het verenigd college en de verenigde vergadering de bevoegdheden uit bedoeld in de artikelen 5, 6bis, 6quinquies, 8 tot 16, §§ 1 en 2, 79 §§ 1 en 3,92bis/1, 92bis en 92ter, van de bijzondere wet.

De bevoegdheid bedoeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet behoort, op het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, tot de exclusieve bevoegdheid van het Verenigd College en de Verenigde Vergadering, daarin begrepen ten aanzien van de instellingen, die wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap.
De Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, sluiten in elk geval een samenwerkingsakkoord voor het instellen van één loket voor de gehandicapten wat betreft het beheer van de mobiliteitshulpmiddelen bedoeld in artikel 5, § 1, II, 4°, van de bijzondere wet en de andere hulpmiddelen van dezelfde aard, op het grondgebied van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.  

In afwachting van het sluiten van dit samenwerkingsakkoord, kennen de bevoegde diensten inzake het gehandicaptenbeleid van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap de mobiliteitshulpmiddelen bedoeld in artikel 5, § 1, II, 4°, van de bijzondere wet toe aan de personen die zich te dien einde tot hen richten. De aldus toegekende hulpmiddelen overeenkomstig de regels uitgevaardigd door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vallen ten laste van deze laatste. Elke gemeenschap richt maandelijks een afrekening van de toegekende hulpmiddelen, aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die haar de overeenstemmende middelen stort binnen de zestig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van deze afrekening.
Een specifiek toezicht kan worden ingesteld door een ordonnantie van de verenigde vergadering, overeenkomstig artikel 7, eerste lid, b, van de bijzondere wet. 

Indien het ontwerp of het voorstel van gezamenlijk decreet bedoeld in artikel 92bis/1 van de bijzondere wet, bij de verenigde vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie wordt ingediend, behoort ten minste één derde van de delegatie van die vergadering in de interparlementaire commissie bedoeld in artikel 92bis/1, § 2, tweede lid, van de bijzondere wet, tot de minst talrijke taalgroep met een minimum van drie leden.
De proportionele vertegenwoordiging bedoeld in artikel 92bis/1, § 2, tweede lid, van de bijzondere wet wordt, wat de delegatie van de verenigde vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreft, per taalgroep georganiseerd.
Onverminderd artikel 92bis/1, § 2, vijfde lid, van de bijzondere wet, wordt een ontwerp of voorstel van gezamenlijk decreet bedoeld in artikel 92bis/1 van de bijzondere wet, door de interparlementaire commissie aangenomen bij volstrekte meerderheid van de stemmen in elke taalgroep binnen de delegatie van de verenigde vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
De overeenkomstig de voorgaande leden aangenomen ordonnanties hebben naar gelang van de betrokken entiteiten als opschrift "gezamenlijk decreet en ordonnantie van" of "gezamenlijke ordonnantie van" gevolgd door de benaming van alle entiteiten die deze decreten of ordonnanties aannemen.
Artikel 4bis van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.

Art.  64.  § 1. Elke gemeenschapscommissie oefent dezelfde bevoegdheden uit als de andere inrichtende machten in de aangelegenheden bedoeld in artikel 61 van deze wet.
Zij hebben in het bijzonder elk tot taak :
1° een programmering uit te werken en uit te voeren van de infrastructuur met betrekking tot deze aangelegenheden;
2° de nodige instellingen op te richten, ze te beheren en subsidies te verlenen onder de voorwaarden die bepaald zijn met name door de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot het kleuter-, lager, secundair, normaal, technisch en kunstonderwijs;
3° aan de betrokken overheid aanbevelingen alsook adviezen te richten, zowel op eigen initiatief als op verzoek van die overheid;
4° initiatieven te nemen en aan te moedigen inzake culturele en persoonsgebonden aangelegenheden.
§ 2. De verenigde vergadering en het verenigd college oefenen de bevoegdheden uit bedoeld in § 1, wanneer het gaat om zaken van gemeenschappelijk belang.
§ 3. De colleges en het verenigd college voeren door middel van besluiten de verordeningen uit, genomen door respectievelijk de taalgroepen en de verenigde vergadering.

Art.  65.  Elke gemeenschapscommissie kan de verordeningsbevoegdheden uitoefenen die haar zijn overgedragen respectievelijk door het Vlaams Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap.
Elk college voert door middel van besluiten de verordeningen uit genomen met toepassing van het eerste lid.

Art.  66.  Het college treft de individuele maatregelen en de uitvoeringsmaatregelen die hem zijn overgedragen, respectievelijk door het Vlaams Parlement of het Parlement van de Franse Gemeenschap, na eensluidend advies van de betrokken taalgroep over het principe van de delegatie en de overdracht van correlatieve financieringsmiddelen.

Art.  67.  De organen bedoeld in artikel 60 van deze wet kunnen politiestraffen stellen op overtreding van verordeningen en besluiten genomen met toepassing van de artikelen 64 en 65 van deze wet.
Een afschrift van die verordeningen en besluiten wordt binnen vijf dagen aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en aan de politierechtbanken van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest medegedeeld.

TITEL III. - DE MACHTEN.

HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen.

Art.  68.  § 1. De ordonnantiegevende macht wordt gezamenlijk uitgeoefend door de verenigde vergadering en het verenigd college.
Het recht van initiatief behoort aan het verenigd college en aan de leden van de verenigde vergadering.
§ 2. De verordeningsbevoegdheid wordt gezamenlijk uitgeoefend, respectievelijk door de taalgroep van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de taalgroep van de Franse Gemeenschapscommissie of de verenigde vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie enerzijds en door de colleges en het verenigd college anderzijds.
Wat de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissie betreft, behoort het recht van initiatief aan het respectieve college en de leden van de respectieve taalgroep.
Wat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie betreft, behoort het recht van initiatief aan het verenigd college en aan de leden van de verenigde vergadering.

Art.  69.  De ordonnanties aangenomen op grond van deze titel regelen de aangelegenheden bedoeld in artikel 63 van deze wet.
De artikelen 7 en 9 van deze wet zijn op hen van toepassing. De artikelen 19, § 1, eerste lid, en 20 tot 22 van de bijzondere wet zijn op hen van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het woord " decreet " telkens wordt vervangen door het woord "ordonnantie".

Art.  70.  De normen bedoeld in artikel 69 vermelden dat zij de aangelegenheden regelen bedoeld in artikel 135, van de Grondwet.
De normen bedoeld in artikel 64, § 3, van deze wet vermelden dat zij de aangelegenheden regelen bedoeld in artikel 166, § 3, 1° of 3°, van de Grondwet, al naargelang van het geval.
De normen bedoeld in artikel 65 van deze wet vermelden dat zij de aangelegenheden regelen bedoeld in artikel 108ter, § 3, tweede lid, 2°, van de Grondwet.

Art.  70bis.  Artikel 39 van deze wet is toepasselijk op de verordeningen en besluiten van de gemeenschapscommissies. De verordeningen en besluiten van de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden evenwel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt in het Nederlands met een vertaling in het Frans, en de verordeningen en besluiten van de Franse Gemeenschapscommissie worden erin bekendgemaakt, in het Frans met een vertaling in het Nederlands.

HOOFDSTUK 2. - De taalgroepen en de verenigde vergadering.

Art.  71.  § 1. De verenigde vergadering komt van rechtswege bijeen op de dag na die bepaald in artikel 26, § 1, van deze wet.
Elke taalgroep komt van rechtswege bijeen op de eerste werkdag die volgt op de dag bedoeld in het vorige lid.
De taalgroepen en de verenigde vergadering kunnen voordien worden bijeengeroepen door hun college of door het verenigd college.
Zij moeten ieder jaar ten minste veertig dagen in zitting blijven.
§ 2. De verenigde vergadering kan door het verenigd college in buitengewone zitting worden bijeengeroepen.
Elke taalgroep kan door zijn college in buitengewone zitting worden bijeengeroepen.
§ 3. Het verenigd college sluit de zitting van de verenigde vergadering.
Elk college sluit de zitting van zijn taalgroep.

Art.  72.  De artikelen 34, 36, 37, 38, 39, 41, 42, 44, 46, 48 en 48bis, van de bijzondere wet zijn van overeenkomstige toepassing op de taalgroepen en de verenigde vergadering.
Artikel 40 van de bijzondere wet is van toepassing op de verenigde vergadering.
Artikel 33 van de bijzondere wet is van toepassing op de taalgroepen.
Artikel 35 §§ 1 en 2) van de bijzondere wet is van toepassing op de taalgroepen en de verenigde vergadering. Elke beslissing van de verenigde vergadering wordt echter genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen in elke taalgroep. ([ 1  Behoudens in geval van stemming over een ontwerp of voorstel van ordonnantie overeenkomstig artikel 92bis/1 van de bijzondere wet, wordt een tweede stemming gehouden als deze meerderheid niet gehaald wordt.] 1  In dat geval wordt de resolutie aangenomen bij volstrekte meerderheid van de stemmen van de Verenigde Vergadering en met minstens een derde van de stemmen in elke taalgroep. Voor de ordonnanties bedoeld in artikel 68, § 1, en het reglement van de Verenigde Vergadering bepaald in het eerste lid, mag deze tweede stemming, doordat het verwijst naar artikel 44 van de bijzondere wet, niet vroeger dan dertig dagen na de eerste stemming worden gehouden.
Artikel 43 van de bijzondere wet is van overeenkomstige toepassing op de taalgroepen.
Artikel 29 van deze wet is van toepassing op de ordonnanties en verordeningen van de verenigde vergadering.

Art.  73.  § 1. De bekrachtiging en de afkondiging van de ordonnanties van de verenigde vergadering geschieden op de volgende wijze :
"De verenigde vergadering heeft aangenomen en Wij, verenigd college, bekrachtigen hetgeen volgt :
Ordonnantie
Kondigen deze ordonnantie af, bevelen dat ze in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt".
"L'assemblée réunie a adopté et Nous, collège réuni, sanctionnons ce qui suit :
(Ordonnance)
Promulguons la présente ordonnance, ordonnons qu'elle soit publiée au Moniteur belge".
§ 2. Artikel 33 van deze wet is van toepassing op de ordonnanties van de verenigde vergadering.

HOOFDSTUK 3. - De colleges en het verenigd college.

Art.  74.  Onverminderd de bepalingen van deze wet, beslissen de colleges en het verenigd college over hun werkingsregelen.
Artikelen 73, tweede lid, en 82, van de bijzondere wet zijn van overeenkomstige toepassing op de colleges en het verenigd college.

Art.  75.  De colleges en het verenigd college nemen hun beslissingen collegiaal volgens de procedure van de consensus, onverminderd de delegaties die ze verlenen.
Het verenigd college verdeelt onder zijn leden, met uitzondering van de Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de taken met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van zijn beslissingen. Bij gebreke van een consensus hierover, worden de bevoegdheden van de leden van het verenigd college, in twee groepen verdeeld : 

1. De aangelegenheden betreffende het gezondheidsbeleid bedoeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet;
2. de aangelegenheden betreffende de bijstand aan personen bedoeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet en deze betreffende de gezinsbijslagen bedoeld in artikel 5, § 1, IV, van de bijzondere wet.
Volgens de bij artikel 35, § 4, van deze wet bepaalde orde van voorrang, kiest ,met uitzondering van de Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, het eerste lid van elk van de colleges die het verenigd college vormen als eerste. De andere groep van aangelegenheden wordt toegewezen aan het tweede lid van elk van de voormelde colleges. 


Art.  76.  Een Brussels lid van de Vlaamse Regering en een Brussels lid van de Franse Gemeenschapsregering die door hun respectieve Regering zijn aangewezen, wonen met raadgevende stem de vergaderingen bij van respectievelijk het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en het college van de Franse Gemeenschapscommissie.
Zij wonen beiden, onder dezelfde voorwaarden, de vergaderingen bij van het verenigd college.

Art.  77.  De voorzitter van de Regering zit het verenigd college voor met raadgevende stem.

Art.  78.  Het mandaat van de leden van de cultuurcommissies bedoeld in artikel 72 van de wet van 26 juli 1971 eindigt van rechtswege bij de eedaflegging van de leden van het Parlement en van de Regering.
De artikelen 72, 73, 74 en 79 tot 83 van de wet van 26 juli 1971 worden opgeheven de dag van de installatie van de organen bedoeld in artikel 60 van deze wet.
De artikelen 73bis, 75 tot 78 van dezelfde wet worden opgeheven.

Art.  79.  § 1. Elk college benoemt en ontslaat de leden van zijn diensten. Het stelt hun administratief en geldelijk statuut vast.
§ 2. De personeelsleden van de cultuurcommissies worden overgedragen aan de respectieve colleges van de gemeenschapscommissies bedoeld in artikel 60, tweede en derde lid, van deze wet.
Artikel 56, derde tot zevende lid, van deze wet is op hen van toepassing.
§ 3. De personeelsleden van de ministeries die de aangelegenheden behandelen bedoeld in artikel 135 , van de Grondwet, worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aan het verenigd college overgedragen.
Artikel 40, §§ 1 en 2, van deze wet is op hen van toepassing.

Art.  79bis.  De personeelsleden van de provincie Brabant die aangesteld zijn in het onderwijs dat op 1 september 1992 op het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, door de provincie werd georganiseerd, gaan op 1 januari 1995 over naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie of de Franse Gemeenschapscommissie, naar gelang ze tewerkgesteld waren in een Nederlandstalige of een Franstalige onderwijsinstelling.
Na overleg tussen de federale overheid, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie enerzijds en de representatieve vakorganisaties van het personeel anderzijds, worden in het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 92bis, § 4quater van de bijzondere wet de nadere regelen van de overgang van de personeelsleden bepaald.

Art.  80.  De goederen, rechten en verplichtingen van de Nederlandse Cultuurcommissie en de Franse Cultuurcommissie, bedoeld in artikel 72 van de wet van 26 juli 1971, worden van rechtswege overgedragen aan respectievelijk de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie.

Art.  80bis.  De goederen, rechten en verplichtingen van de provincie Brabant, die bestemd zijn voor de organisatie van het in artikel 79bis bedoelde onderwijs worden zonder schadeloosstelling aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie overgedragen, overeenkomstig het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 92bis, § 4quater, van de bijzondere wet.

Art.  81.  Voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 64, § 1, en artikel 65 kunnen de colleges al naargelang het geval gemachtigd worden door de Vlaamse Regering of de Regering van de Franse Gemeenschap om tot onteigening over te gaan ten algemene nutte.
Voor de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in artikel 64, § 2, van deze wet met betrekking tot de culturele aangelegenheden kan het verenigd college door de Koning gemachtigd worden om tot onteigening over te gaan ten algemene nutte.
De overeenkomsten inzake afstand in der minne, de kwijtingen en andere handelingen in verband met het verkrijgen van onroerende goederen, kunnen zonder kosten worden gesloten door toedoen van het lid van het college of het verenigd college, aangesteld met dit doel.

TITEL IV. - BEGROTINGEN EN REKENINGEN.

Art.  82.  § 1. De Regering van de betrokken Gemeenschap regelt bij besluit het begrotings- en rekeningstelsel van de gemeenschapscommissie.
De artikelen 50, 68quinquies en 69 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, zijn van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en het verenigd college.
§ 2. De Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie beschikken over jaarlijkse dotaties die worden ingeschreven respectievelijk op de begroting van het Vlaams Parlement en op die van het Parlement van de Franse Gemeenschap.
Ieder van deze commissies kan subsidies, schenkingen en legaten ontvangen.
Zij beschikt over de inkomsten, de goederen en de kapitalen die zij beheert.

TITEL V.- HET TOEZICHT.

Art.  83.  Elke Gemeenschap organiseert bij decreet het toezicht dat zij uitoefent over elke gemeenschapscommissie in de aangelegenheden vermeld in artikel 64, § 1.


BOEK IIIbis. - BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ARTIKEL 178, VAN DE GRONDWET.


Art.  83bis.  Onverminderd de artikelen 83ter en 83quater kan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement vanaf het begrotingsjaar 1995 middelen overdragen aan de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissies, die worden verdeeld volgens de verdeelsleutel van 20 pct. voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie en 80 pct. voor de Franse Gemeenschapscommissie.

Art.  83ter.  § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1995 trekt (het Brussels Hoofdstedelijk Parlement) jaarlijks op zijn begroting een speciale dotatie uit voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie, voor het onderwijs bedoeld in artikel 79bis, eerste lid.

Het basisbedrag voor deze dotatie wordt voor het begrotingsjaar 1992 vastgesteld op 1,050 miljard frank.
Voor het begrotingsjaar 1995 wordt deze dotatie verdeeld volgens de sleutel 55 pct. voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie en 45 pct. voor de Franse Gemeenschapscommissie. Vanaf het begrotingsjaar 1996 wordt deze dotatie verdeeld volgens de sleutel van 38 pct. voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie en 62 pct. voor de Franse Gemeenschapscommissie. Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt deze verdeelsleutel aangepast aan het percentage leerlingen dat op 31 december van het voorafgaande jaar ingeschreven was in het Nederlandstalig en het Franstalig onderwijs, bedoeld in artikel 79bis.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 1995 trekt het Brussels Hoofdstedelijk Parlement jaarlijks op zijn begroting een speciale dotatie uit voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie. Het basisbedrag van deze dotatie is gelijk aan het bedrag dat op 1 januari 1992 op de begroting van de provincie Brabant uitgetrokken was voor provinciale taken op het in artikel 2, § 1, bedoelde grondgebied, die behoren tot de bevoegdheid van één van beide Gemeenschapscommissies, de Vlaamse Gemeenschap of de Franse Gemeenschap.
Deze dotatie wordt verdeeld volgens de verdeelsleutel van 20 pct. voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie en 80 pct. voor de Franse Gemeenschapscommissie.
§ 3. Vanaf het begrotingsjaar 1995 trekt het Brussels Hoofdstedelijk Parlement jaarlijks op zijn begroting een speciale dotatie uit voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Het basisbedrag van deze dotatie is gelijk aan het bedrag dat op 1 januari 1992 op de begroting van de provincie Brabant uitgetrokken was voor provinciale taken op het in artikel 2, § 1, bedoelde grondgebied, die behoren tot de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
§ 4. De in de §§ 1, 2, en 3 bedoelde basisbedragen worden jaarlijks aangepast aan de gemiddelde ontwikkeling van de lonen in de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering sedert 1992. Die gemiddelde ontwikkeling is gelijk aan de gemiddelde ontwikkeling van de maximumloonschaal overeenstemmend met de hoogste gewone graad van elk van de niveaus in de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarbij die ontwikkeling wordt vastgesteld tussen 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanpassing en 1 januari van het jaar zelf van de aanpassing en waarbij dat gemiddelde wordt aangepast aan de ontwikkeling, over dezelfde periode, van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig het stelsel van indexkoppeling dat van toepassing is in de openbare sector.
Op voorstel van zijn regering kan het Parlement de in het vorige lid bedoelde bedragen verhogen.


Art.  83quater.  § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1993 trekt het Brussels Hoofdstedelijk Parlement jaarlijks op zijn begroting een speciaal bedrag uit waarop de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse Gemeenschapscommissie een trekkingsrecht kunnen uitoefenen. Dit bedrag beloopt ten minste :
- in het begrotingsjaar 1993 : 1 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1994 : 2 miljard frank;
- in het begrotingsjaar 1995 : 2,6 miljard frank;
- vanaf het begrotingsjaar 1996 : 2,6 miljard frank, jaarlijks aangepast aan de gemiddelde ontwikkeling van de lonen in de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering sinds 1992. Artikel 83ter, § 4, eerste lid, tweede zin is van overeenkomstige toepassing.
Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt het in het eerste lid vermelde bedrag verhoogd met een bedrag van 24 789 352,48 EUR, dat jaarlijks aangepast wordt aan de gemiddelde ontwikkeling van de lonen in de diensten van de regering sinds 1992. Artikel 83ter, § 4, eerste lid, tweede zin, is van toepassing.
Op voorstel van zijn Regering kan het Parlement de in het vorige lid bedoelde bedragen verhogen.
§ 2. Wanneer de Vlaamse Gemeenschapscommissie of de Franse Gemeenschapscommissie haar trekkingsrecht uitoefent, worden haar de middelen overgedragen ten belope van het bedrag dat door haar taalgroep op voorstel van zijn college wordt vastgesteld. Wanneer één van deze Gemeenschapscommissies gebruik maakt van haar trekkingsrecht, ontvangt de andere commissie automatisch een bedrag, berekend volgens de verdeelsleutel van 80 pct. voor de Franse Gemeenschapscommissie en 20 pct. voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Het totaal van de overeenkomstig deze paragraaf overgedragen middelen mag het overeenkomstig § 1 vastgestelde bedrag niet overschrijden.


BOEK III ter. - BEPALINGEN TER UITVOERING VAN ARTIKEL 163, VAN DE GRONDWET.

Art.  83quinquies.  § 1. De taken van algemeen bestuur die in de provincies worden uitgeoefend door de bestendige deputatie en die niet onder de bevoegdheid vallen van de Gemeenschappen of de in artikel 60 bedoelde instellingen, worden voor het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, uitgeoefend door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.
De taken van algemeen bestuur die in de provincies worden uitgeoefend door de provincieraden en die geen aangelegenheden zijn die behoren tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen of de in artikel 60 bedoelde instellingen, worden voor het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, uitgeoefend door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement

§ 2. De rechtsprekende taken die in de provincies worden uitgeoefend door de bestendige deputatie, worden voor het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, uitgeoefend door een college van 9 leden die door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, op voordracht van zijn Regering, worden aangesteld. Ten minste drie leden behoren tot de minst talrijke taalgroep.
Voor de leden van dit college gelden dezelfde onverenigbaarheden als voor de leden van de bestendige deputatie in de provincies.
Bij de procedure voor het college moeten dezelfde regels nageleefd worden als die welke van toepassing zijn wanneer in de provincies de bestendige deputatie een rechtsprekende taak vervult.
§ 3. De taken die door of krachtens de wet of het decreet toegewezen zijn aan de provincieraad worden, wat het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, betreft, uitgeoefend door de taalgroepen bedoeld in artikel 60, tweede, derde en vierde lid en de verenigde vergadering bedoeld in artikel 60, vierde lid, telkens als het gaat om een zaak die tot de bevoegdheid van deze laatsten behoort.
De taken die door of krachtens de wet of het decreet toegewezen zijn aan de bestendige deputatie worden, wat het grondgebied bedoeld bij artikel 2, § 1, betreft, uitgeoefend door de colleges bedoeld in artikel 60, tweede, derde en vierde lid, telkens als het gaat om een zaak die tot de bevoegdheid van deze laatsten behoort.
§ 4. De Koning brengt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de bestaande wetten in overeenstemming met de in de §§ 1, 2 en 3 vervatte regels.


BOEK IV. - SLOTBEPALINGEN.

Art.  84.  De artikelen 92quater, 94 en 99 van de bijzondere wet zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 85. Deze wet treedt in werking op dezelfde datum als de wet bedoeld in de artikelen 175, en 177, van de Grondwet.

Raad Vlaamse Gemeenschapscommissie - Lombardstraat 67 - 1000 Brussel
Tel : 02/213.71.00   Fax : 02/213.71.01   Email:   info@raadvgc.irisnet.be